
PIETJE
Zaterdagmorgen, net voor achten. Ik zit in de diepzwarte kappersstoel bij Lorist in de Gasthuisstraat. “Het onkruid mag weg,” zeg ik tegen de jongedame die me knipt. Al bijna dertig jaar is dit mijn vaste adres. Ik ben een ‘Pietje Precies’; in mijn werk let ik op elk detail van de autolak, en bij mijn kapsel is dat niet anders. Mijn instructies zijn helder: een aaibare 2 millimeter aan de achterkant en exact 3 centimeter bovenop. Waarom? Omdat mijn megastrong stylinggel factor 5 anders geen houvast heeft. Sinds mijn schooltijd heb ik alles geprobeerd, van haarpommade tot ‘out-of-bed-smurrie’, maar ik zweer bij de gel die mijn haar net niet betonhard, maar wel lekker knapperig maakt. Na de controle door de opperkapster, waarbij er nog drie haartjes sneuvelden, liep ik tevreden naar buiten.
Na een frisse ochtendwandeling en een fietstocht door het stadspark met verse croissants, stond ik thuis voor de spiegel. Zat alles nog goed? “Denk je niet dat er een halve millimeter te veel zit aan de achterkant?” vroeg mijn vrouw droogjes. Serieus als ik ben, pakte ik direct mijn smartphone om de achterkant te inspecteren. Pas toen ik de knipoog naar de jongens zag, wist ik het: ik was weer eens zwaar in de maling genomen. Ja, noem me maar Pietje; ik kan er niks aan doen!
(Stadscolumn #66 | 31 december 2024)

“WÖÖR BI’J D’R ENE VAN?”
Dat hoorde ik toen ik net (1995) in Kampen woonde. “Wat zeggen ze nou?”, dacht ik eerst. Later zag ik het ergens staan. Aha, zo schrijf je dat dus op zijn Kampers. Als iemand van “buitenaf” wist ik ook niet precies wat men hiermee bedoelde. Inmiddels ben ik ingeburgerd en versta ik het Kampers dialect, wat betekent dat ik nu met trots kan zeggen dat ik er “ene” ben. Hoewel ik geen inheemse Kamper familiestamboom heb, heb ik mijn bedrijf Passie voor Glans tot mijn eigen Kamper stamboom uitgeroepen.
