
OKÉ BOOMER
“Challas!” riepen mijn zoons toen ze naar school vertrokken. Mijn vrouw en ik keken elkaar vragend aan. Challas? Inmiddels weten we dat het ‘doei’ betekent. Onze jongens wijden ons in rap tempo in in de wereld van de straattaal. Om een beetje bij te blijven, ben ik inmiddels een digitaal woordenboek begonnen in mijn telefoonnotities. Ik mag mezelf dan jong van geest vinden en actief zijn op social media, de snelheid waarmee de taal van de straat verandert, is voor een vijftiger nauwelijks bij te benen. Mijn lijstje groeit gestaag: osso is thuis, chappen is eten en een waggie is, hoe kan het ook anders, een auto. Gewapend met deze nieuwe kennis waagde ik onlangs een poging om indruk te maken op de jeugd.
“Zullen we met de waggie bij de Appie langs?”, vroeg ik enthousiast. “Dan halen we vast de boodschappen voor de barbecue in osso.” De reactie was niet helemaal wat ik hoopte. In plaats van bewondering oogstte ik een lachsalvo en de gevreesde woorden: “Oké Boomer”. Blijkbaar is er een fijne grens tussen ‘bijblijven’ en ‘jezelf belachelijk maken’. Mijn dagen als écht coole lefgozer zijn misschien voorbij, maar ik blijf in ieder geval een trotse Boomer in een goed gepoetste waggie!
(Stadscolumn #44 | 30 juni 2022)

“WÖÖR BI’J D’R ENE VAN?”
Dat hoorde ik toen ik net (1995) in Kampen woonde. “Wat zeggen ze nou?”, dacht ik eerst. Later zag ik het ergens staan. Aha, zo schrijf je dat dus op zijn Kampers. Als iemand van “buitenaf” wist ik ook niet precies wat men hiermee bedoelde. Inmiddels ben ik ingeburgerd en versta ik het Kampers dialect, wat betekent dat ik nu met trots kan zeggen dat ik er “ene” ben. Hoewel ik geen inheemse Kamper familiestamboom heb, heb ik mijn bedrijf Passie voor Glans tot mijn eigen Kamper stamboom uitgeroepen.
