
HET IS DE NATUUR
We stonden bij Vishandel Bottenberg; een waar begrip bij het Kamper gemeentehuis. Iedereen een portie kibbeling en ik nog een vers “harinkie” met uitjes. Al ruim vijftig jaar een vaste prik voor zowel Kampenaren als toeristen. Terwijl we in het zonnetje genoten van onze vis, kregen we een onverwacht lesje in de natuurwetten.
“Hé pap, ik lust er zó nog wel één”, zei onze jongste met een volle mond. “Niks ervan, we gaan zo eten”, besliste ik. Toen de jongens protesteerden omdat ik zelf wél een extraatje had, was mijn antwoord simpel: “Dat is de natuur, jongens. Ik ben groter, heb meer nodig én ik heb de portemonnee.” Maar het universum liet niet lang op zich wachten met een weerwoord. Een zwerm krijsende meeuwen kwam aanscheren, vechtend om een broodkorst en recht op mijn glanzende visitekaartje af: de auto. Een wanhopige poging om ze af te leiden met een stukje haring mocht niet baten. Een serie klodderpoep werd afgevuurd. “Het is de natuur, pap!”, grijnsden de jongens terwijl ze hun laatste stukje vis wegwerkten.
Gelukkig zat mijn auto strak in de nieuwste generatie glascoating. Dit pantser voorkomt dat vogelpoep direct invreet in de lak. Terwijl ik de ‘marinade’ verwijderde, besloot ik dat ik zéker nog een extra visje had verdiend.
(Stadscolumn #6 | 27 mei 2020)

“WÖÖR BI’J D’R ENE VAN?”
Dat hoorde ik toen ik net (1995) in Kampen woonde. “Wat zeggen ze nou?”, dacht ik eerst. Later zag ik het ergens staan. Aha, zo schrijf je dat dus op zijn Kampers. Als iemand van “buitenaf” wist ik ook niet precies wat men hiermee bedoelde. Inmiddels ben ik ingeburgerd en versta ik het Kampers dialect, wat betekent dat ik nu met trots kan zeggen dat ik er “ene” ben. Hoewel ik geen inheemse Kamper familiestamboom heb, heb ik mijn bedrijf Passie voor Glans tot mijn eigen Kamper stamboom uitgeroepen.
